Soldermis: de misviering van 6 januari 2019

25 januari 2019

Driekoningen. Jes. 60:1-6, Psalm 72:1-13, Mt. 2:1-12

De vroegste kerstvoorstellingen
De vroegste kerstvoorstellingen dateren uit de vierde eeuw. Zo’n voorstelling kunt u vinden op de website van de zoldermis. Die vroege afbeeldingen zien er heel anders uit dan bijvoorbeeld de Napolitaanse kerststal in dit museum. In die vroege voorstellingen geen kerstsfeer met een aandoenlijk kindje, een liefdevolle Maria, een zorgzame Jozef, herders met allerlei geschenken, de drie koningen met hun dienaren en kamelen, en heel veel engelen en schapen (achter het altaar ziet u een kudde van 200 schaapjes). In de vroegste voorstellingen zien we alleen het hoogstnoodzakelijke: het kind, de os en de ezel, een herder en de drie magiërs. Geen enkel sentiment, maar wel veel symboliek. De os en de ezel zijn ontleend aan een tekst van Jesaja: Een os kent zijn eigenaar, een ezel de krib van zijn meester; maar Israël weet van niets, mijn volk heeft geen begrip (1:3). Tegenover het onbegrip van Israël zet Jesaja het begrip van de os en de ezel. In de christelijke traditie symboliseert de os de Joden die in Christus geloven, terwijl de ezel verwijst naar de niet-Joden die de boodschap van Christus aanvaardden. Een dergelijke symboliek speelt bij de herder en de magiërs. Zij verwijzen respectievelijk naar de Joden en de heidenen die zich tot Jezus wendden. In het evangelie van de nachtmis traden de herders op, in het evangelie van vandaag zijn het de drie magiërs.

Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem (psalm 72:11)
Ik beperk mij vandaag, op het feest van Driekoningen, tot de drie magiërs uit het Oosten. Het zijn exoten, buitenlanders, vreemdelingen, die naar Jezus toekomen. Er was al eerder sprake van vreemde koningen uit verre landen, zoals we hebben gehoord in de eerste twee lezingen. In de tijd van de Babylonische ballingschap, toen Israël verspreid raakte onder de vreemde volken, leerde het om over de eigen grenzen heen te kijken. Toen groeide de God van Israël uit tot de God van alle volken. Toen de ballingen na de ballingschap weer naar Jeruzalem waren teruggekeerd, wezen de profeten erop dat deze stad een voorbeeldfunctie zou moeten hebben voor alle volken. Ze zouden met de rijkdommen van hun eigen land toestromen naar Jeruzalem, de stad van vrede. Dit horen we in de eerste lezing, waar Jesaja Jeruzalem toespreekt: Duisternis bedekt de aarde…maar over jou schijnt de HEER.. Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel… de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot. Een vloed van kamelen zal je land overspoelen… beladen met wierook en goud (60:2-6). In de tweede lezing hoorden we een stuk uit psalm 72. Daar gaat het over de voorbeeldige koning in het voorbeeldige Jeruzalem: Moge hij recht doen aan de zwakken, redding bieden aan de armen… Moge in zijn dagen… de vrede wereldwijd zijn… Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem... Deze teksten uit het boek Jesaja en uit de psalm liggen ten grondslag aan de drie koningen zoals wij ze kennen, met hun geschenken goud, wierook en mirre. Een samenleving waar iedereen tot zijn recht komt, niet alleen de sterken en slimmen, maar ook zwakke en achtergestelde mensen, een samenleving waar vrede heerst, een samenleving zoals iedereen op aarde zich zou wensen: dat beeld wordt opgeroepen door Jesaja en de psalm.

Koning Herodes en de pasgeboren koning van de Joden
Eeuwen later dan de tijd waarin de tekst van Jesaja en de psalm zijn ontstaan, speelt het verhaal van de magiërs die optrokken naar Jeruzalem, op zoek naar de ideale samenleving en de ideale koning waar de profeten en de psalmen over hadden gesproken. Wat troffen zij aan? Matteüs beschrijft hoe de magiërs in Jeruzalem aankwamen en daar vroegen waar de pasgeboren koning te vinden was. De toenmalige koning, Herodes, en de Schriftgeleerden wisten de magiërs precies te vertellen waar het kerstkind te vinden was, maar zelf gingen ze er niet heen. Zij wilden geen andere koning erkennen, ze wilden geen verandering, ze wilden alleen maar de status quo handhaven. Herodes was niet gediend van een andere koning dan hijzelf. Van hem is bekend dat hij op zijn oude dag zijn drie zoons liet vermoorden, omdat hij geen concurren­tie duld­de. Hij was van plan om ook het kind waar de magiërs naar zochten, om te laten brengen. Hij was er alleen op uit om eigen macht te handhaven, zoals de  hogepriesters en Schriftgeleerden de Wet en de gewetens voor zichzelf opeisten. 
            De andere koning die de magiërs aantroffen, werd hun aangewezen door de ster. Het waren astrologen. Zij lieten zich wijzen door hun eigen sterrenwijsheid, door hun eigen intuïtie, en vonden het kind. Beseffen wij dat het verhaal van de magiërs het historische gegeven illustreert dat de leer van Jezus niet alleen aansloeg bij Joden, maar vooral ook bij heidenen. We hebben al gezien dat de Kerk uit de Joden wordt gesymboliseerd door de herders en dat de Kerk uit de heidenen wordt gesymboliseerd door de magiërs. 

Wij
Het verhaal van Matteüs is ook een oproep aan ons. De meesten kunnen zich rekenen tot het gevolg van de magiërs, maken deel uit van de volken die naar Jeruzalem toestroomden. Het visioen van Jesaja: een stad van gerechtigheid en vrede, en het beeld van de ideale koning van psalm 71 hebben hun geldigheid behouden tot de dag van vandaag. Dit visioen en dit beeld zijn is nog steeds in staat om velen aan te spreken en in beweging te brengen. Het koningschap van Jezus is van een heel andere orde dan het koningschap van Herodes, die alleen maar uit was op eigen macht. Hoe anders was het program van Jezus, zoals dit in de verschillende evangeliën overkomt! Jezus zocht niet zichzelf, hij was niet uit op handhaving van eigen macht of eigen geestelijk gezag, maar het ging hem om de ander. Als je hem vroeg wie hij was, wees hij naar de ander. In de eerste plaats de Ander met een hoofdletter: God. Jezus zegt: Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij (Joh. 14:10). Jezus wijst ook door naar de ander met een kleine letter: de andere mens. Dat lezen we in hoofdstuk 25 van Matteüs, waar Jezus zich identificeert met de hongerige, de dorstige, de vreemdeling, de naakte, de zieke, de gevangene: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders en zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan (25:40). 
            Dat wij ons mogen herkennen in de magiërs, die met hun geschenken eer bewezen aan het pasgeboren koning.

Meld u aan voor de nieuwsbrief