Allegorie op het Geloof

van Eglon van der Neer

Op dit kleine en fijn gepenseelde schilderij toont een vrouw een glazen bol waarin verschillende taferelen uit het leven van Christus zijn weergegeven. Duidelijk te zien in deze mini-wereld zijn de kruisdraging van Christus en Maria met het Christuskind tijdens hun vlucht naar Egypte. De engel aan de rechterkant van de vrouw wil aansporen tot een christelijke levenswandel. Deze moralistische afbeelding hing er in de tijd van de geestelijke dochters nog niet, maar de aanblik zou hen zeker gesterkt hebben in hun keuze voor een vrome levenswandel. De pendant hangt in het Castello Sforzesco in Milaan. Daarop is een bol te zien met zondig werelds vermaak, zoals dansen en roken. Het is vast de bedoeling geweest om deze voorbeelden van positief en negatief gedrag naast elkaar te zien, zoals de bekende prenten van de smalle en de brede weg.

Eglon van der Neer (ca. 1643 – 1703) bracht zijn jeugd door in Amsterdam, maar vertrok na zijn opleiding tot schilder al snel naar de Vaucluse in Zuid-Frankrijk. Na vier jaar keerde hij terug naar Holland, waar hij in het huwelijk trad met de rijke notarisdochter Maria Wagersvelt. Een vruchtbare periode brak aan in de geboortestad van zijn vrouw, Rotterdam. Van der Neer vestigde zich als succesvol schilder en het paar kreeg zestien kinderen. Na de dood van zijn vrouw hertrouwde hij in Brussel met een andere Maria, de fijnschilderes Marie du Chastel. Uit dit huwelijk kwamen negen kinderen voort. Waarschijnlijk reisde Van der Neer beroepshalve geruime tijd heen en weer tussen Amsterdam en Brussel, waar hij in 1687 benoemd was tot hofschilder van de Spaanse koning Karel II. Zijn laatste betrekking was in de Paltz, hij stierf in Dusseldorf. Van der Neer schilderde Hollandse gezelschappen, historische scènes, interieurs en landschappen, maar was vooral bekend als schilder van portretten. Hij ging gemakkelijk over op een andere stijl; zo zijn er invloeden van Pieter de Hoogh en Gerard Ter Borgh zichtbaar in de interieurs.

Arnold Houbraken zegt in deel III van zijn overzichtswerk ‘De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschildersen schilderessen’ (1721): ‘Wat nu de Konst van onzen vander NEER aanbelangt, de zelve verdient datze geprezen word. Hy was een braaf pourtretschilder zoo in levensgrootte als in ’t kleyn.’ Houbraken heeft ook veel waardering voor Van der Neers vitaliteit die hem ook op gevorderde leeftijd nooit in de steek liet, want hij schilderde ‘zonder verval in de Konst, en in dezelfde uitvoerigheid als voor heen, tot zyn zeventigste jaar toe.’

Meld u aan voor de nieuwsbrief